Milieuvergunning
Van oudsher worden bedrijven onderworpen aan een vergunningsplicht voor activiteiten die hinder kunnen veroorzaken aan omwonenden, de directe omgeving en het milieu. Dit geldt ook voor land- en tuinbouwbedrijven.
Voor de staatshervorming moest een bedrijfsleider naast de vereiste bouwvergunning meestal ook nog beschikken over een uitbatings- of exploitatievergunning (op basis van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming of ARAB), een lozingsvergunning, een vergunning voor het oppompen van grondwater, voor activiteiten die het grondwater kunnen verontreinigen, enz.
Sinds de jaren ’80, als gevolg van de staatshervorming, zijn de beleidsbevoegdheden inzake milieubescherming grotendeels aan de Gewesten toevertrouwd. Vlaanderen heeft als eerste Gewest van deze verworvenheid gebruik gemaakt om een eigen milieubeleid uit te tekenen en maakte al snel werk van de hertekening van het vergunningenbeleid. Zo keurde de Vlaamse Regering in 1985 het Milieuvergunningendecreet goed. De exploitatie- of uitbatingsvergunning werd samen met enkele andere milieugebonden vergunningen geïntegreerd tot één vergunning, nl. de milieuvergunning.
Vanaf 1 september 1991 werd het uitvoeringsbesluit VLAREM I (Vlaams Reglement op de Milieuvergunningen) en met dit besluit ook het Milieuvergunningendecreet van kracht. VLAREM I legt vast waarvoor een vergunning of aktename vereist is, wie ze moet aanvragen en waar. Het bepaalt eveneens hoe de procedure verloopt.
Alles over de VLAREM-wetgeving vindt u op: http://www.lne.be/themas/vergunningen/regelgeving.
- Wie moet een vergunning aanvragen?
- De indelingslijst (bijlage 1 van VLAREM I)
- Meest voorkomende hinderlijke inrichtingen in de land- en tuinbouwsector.
- Formulieren
- De vergunnings- en meldingsprocedure.
- Hoe moet een milieuvergunningsaanvraag, mededeling of melding gebeuren?
- Koppeling bouw- en milieuvergunning.
- Hernieuwen van een milieuvergunningsaanvraag
Wie moet een vergunning aanvragen?
Niemand mag een inrichting, opgenomen in de indelingslijst van VLAREM I, uitbaten zonder over een milieuvergunning of aktename te beschikken.
De vergunning voor een klasse 1- en klasse 2-bedrijf moet afgeleverd zijn voor met de uitbating wordt gestart. Een klasse 3-bedrijf kan opstarten de dag nadat de melding is ingediend.
Een vergunning of aktename is persoonsgebonden en gekoppeld aan een exploitatieplaats (kadastrale gegevens, adres).
Niet alleen bij het opstarten van een bedrijf, het in gebruik nemen van een nieuwe inrichting of het opstarten van een nieuwe activiteit ingedeeld in de eerste of tweede klasse, maar ook voor het veranderen van een inrichting, die een indeling in een hogere klasse tot gevolg heeft, alsook bij een toevoeging moet een vergunningsaanvraag worden ingediend. Onder toevoeging wordt bedoeld: ‘het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning géén betrekking heeft’. Voor een wijziging of uitbreiding die geen verhoging van de klasse met zich mee brengt, volstaat veelal een ‘’mededeling kleine verandering”.
Indien de exploitant van een inrichting verandert, moet de milieuvergunning worden overgedragen van de oude naar de nieuwe exploitant (overname). Dit kan via het meldingsformulier. In het geval waarbij de exploiterende vennootschap dezelfde blijft, hoeft er niets te gebeuren. De melding van overname van een vergunde inrichting moet gebeuren voor de effectieve overname van het bedrijf, d.w.z. voor de nieuwe exploitant de inrichting exploiteert. Bij een overname van een veehouderij is dit bijvoorbeeld voordat de nieuwe eigenaar de dieren verzorgt.
De indelingslijst (bijlage 1 van VLAREM I)
Een bedrijf is vergunnings- of meldingsplichtig indien er minstens één activiteit of handeling wordt uitgevoerd die in VLAREM I is gecatalogeerd als hinderlijk voor mens en milieu. Deze activiteiten en handelingen worden in VLAREM I omschreven als inrichtingen. Bvb. het houden van dieren, het lozen van afvalwater, het stockeren van mest, het opslaan van mazout, …
Alle hinderlijke inrichtingen zijn ondergebracht in een lijst en genummerd. Rekening houdend met de mate van hinder voor mens en milieu, worden de in de lijst opgenomen inrichtingen in drie klassen ingedeeld. Deze klasse-indeling gebeurt op basis van vermogen, drijfkracht, aantal dierplaatsen, opslagcapaciteit, geloosd volume, enz. van de desbetreffende activiteit of handeling.
De klasse wordt in de meeste gevallen bepaald door de som van het vermogen of de drijfkracht van de individueel opgestelde toestellen of apparaten waarvan de functie of het doel toe te wijzen is aan de betrokken rubriek. De klasse bepaalt de vergunningsprocedure die van toepassing is.
Komen in het bedrijf meerdere hinderlijke inrichtingen of activiteiten voor – wat meestal het geval is – dan is de inrichting met de hoogste klasse (meest hinderlijk) bepalend voor de procedure die gevolgd moet worden.
Meest voorkomende hinderlijke inrichtingen in de land- en tuinbouwsector.
Hieronder volgt een beknopt overzicht van een aantal rubrieken die in heel wat milieuvergunningen van land- en tuinbouwbedrijven zouden moeten voorkomen.
Rubriek 3: afvalwater
De lozing van bedrijfsafvalwater is ingedeeld in rubriek 3.4 en behoort tot klasse 1, 2 of 3, afhankelijk van het geloosde debiet en de erin aanwezige stoffen. Reinigingswater van melkmachines wordt duidelijk als afvalwater aanzien en mag niet ongezuiverd in de gracht worden geloosd. Ofwel moet men alternatieve spoelmethodes (bv. rietbed) gaan gebruiken of moet men het spoelwater opvangen in de mestput. Regenwater dat in contact is gekomen met mest, wordt niet beschouwd als afvalwater. Het mag niet geloosd worden en dient verwerkt en/of uitgereden te worden overeenkomstig de bepalingen van VLAREM II en het Mestdecreet. Regenwater dat olieresten of andere verontreinigingen bevat doordat het over het bedrijfsterrein vloeit of over een verontreinigde vloer spoelt, en regenwater dat samen met bedrijfsafvalwater wordt geloosd, wordt wel als bedrijfsafvalwater aanzien en is vergunningsplichtig. Rubriek 3 omvat ook de zuiveringsinstallaties voor bedrijfsafvalwater en de lozing van effluentwater. Afhankelijk van het geloosde debiet en de stoffen aanwezig in het aangevoerde afvalwater worden ze ingedeeld in klasse 1, 2 of 3.
Rubriek 9: dieren
Een zeer belangrijke rubriek voor de sector heeft betrekking op het houden van dieren. Het aantal plaatsen of dieren in het bedrijf bepaalt de klasse. Dit aantal is vaak afhankelijk van de bestemming van het gebied waar de inrichting ingeplant is. Verder kunnen ook het gewicht en de leeftijd gebruikt worden als indelingscriterium.
Rubriek 15: garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor motorvoertuigen
Het stallen van rollend materieel, binnen of buiten, zoals tractoren en hun aanhangwagens, landbouwmachines, heftrucks, enz. valt onder deze rubriek (15.1.). Gedragen toestellen (bijvoorbeeld een ploeg of een kunstmeststrooier) vallen hier niet onder. Wanneer er op het bedrijf zelf herstellingswerkzaamheden worden uitgevoerd, zijn ook deze meldings- of vergunningsplichtig (15.2. of 15.3.).
Rubriek 16: gassen
Veel bedrijven gebruiken perslucht voor het doen functioneren van installaties en machines. De compressor die deze perslucht genereert, wordt ingedeeld in de rubriek 16.3.1.
Rubriek 17: gevaarlijke stoffen
De opslag van een hele reeks ‘gevaarlijke stoffen’ kan terecht komen in rubriek 17.3.. Denk daarbij bvb. aan gasolie, diesel of mazout (17.3.6.), diverse soorten olie (17.3.7.), white-spirit, petroleum (17.3.5.) of benzine (17.3.4.). De opslag behoort tot klasse 1, 2 of 3, afhankelijk van de opslagcapaciteit. Een verdeelpomp of hevelmechanisme voor het verdelen van benzine, mazout of diesel valt onder rubriek 17.3.9. (brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen).
Rubriek 28: mest
Subrubriek 28.2. heeft betrekking op de opslag van mest. De andere subrubrieken hebben betrekking op de productie en be- of verwerking van kunstmest of dierlijke mest.
Rubriek 45: voedings- en genotmiddelenindustrie
Rubriek 45.14. betreft de opslag van groenvoeders met uitsluiting van groenvoeders zonder sapverliezen (bvb. sleufsilo’s voor maïs en voordroogkuilen).
Rubriek 53: grondwater
Grondwaterwinningen vallen onder rubriek 53.8.. De klasse is afhankelijk van het opgepompte debiet (totale capaciteit). Worden niet aanzien als ingedeelde inrichtingen: een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt en een grondwaterwinning van minder dan 500 m³ per jaar waarvan het water uitsluitend voor huishoudelijke doeleinden wordt gebruikt. De drainering die noodzakelijk is om het gebruik en/of de exploitatie van cultuurgrond mogelijk te maken of te houden is ingedeeld in subrubriek 53.3. en meldingsplichtig.
Formulieren
De aanvragen gebeuren via een meldings- of milieuvergunningsaanvraagformulier dat u online kunt raadplegen.
De vergunnings- en meldingsprocedure.
Vanaf de indiening van een milieuvergunningsaanvraag door de exploitant verloopt de procedure steevast in vier fasen, of het nu gaat om een klasse 2-aanvraag bij het College van Burgemeester en Schepenen, of om een klasse 1-aanvraag bij de Bestendige Deputatie van de provincie:
- onderzoek van de volledigheid en ontvankelijkheid
- openbaar onderzoek met adviesverlening
- uitspraak
- bekendmaking beslissing
Een klasse 2-aanvraag bij het College van Burgemeester en Schepenen (CBS) duurt, op voorwaarde van een volledig en ontvankelijk dossier, normaal om en bij de vier maanden (verlenging met anderhalve maand mogelijk). Bij een klasse 1-aanvraag bij de Bestendige Deputatie bedraagt deze termijn normaal om en bij de vijf maanden (verlenging met twee maanden mogelijk).
Tegen een beslissing in eerste aanleg is nog beroep mogelijk. Een melding van een klasse 3-inrichting wordt niet onderworpen aan een uitgebreide procedure. Het CBS neemt akte van de melding. De exploitant mag reeds aanvangen met de exploitatie op de dag na indiening van de melding met alle vereiste gegevens. Een uitzondering hierop is de mededeling van kleine verandering waarbij de exploitant wel moet wachten om de inrichting in gebruik te nemen totdat de aktename is gebeurd.
Hoe moet een milieuvergunningsaanvraag, mededeling of melding gebeuren?
De exploitant van een klasse 1- of klasse 2-inrichting moet een milieuvergunningsaanvraag indienen bij de bevoegde overheid, respectievelijk de Bestendige Deputatie of het College van Burgemeester en Schepenen. De exploitant van een klasse 3-bedrijf doet daarvan melding bij het CBS.
Voor een milieuvergunningsaanvraag kan gebeuren, moet een dossiertaks worden betaald op de rekening 091-2206066-24 van departement LNE-afdeling Milieuvergunningen, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel met de vermelding "VLAREM-dossiertaks".
Deze retributie bedraagt in eerste aanleg 247,89 euro voor bedrijven van de eerste klasse (die bovendien MER- of VR-plichtig zijn), 123,95 euro voor andere bedrijven van de eerste klasse en 61,97 euro voor bedrijven van de tweede klasse. In beroep betaalt de exploitant het dubbele van bovengenoemd bedrag. De natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroep instelt tegen een vergunning betaalt 6,20 euro dossiertaks.
Bij melding of mededeling van een verandering aan een vergunde inrichting hoeft men geen dossiertaks te betalen.
- Milieuvergunningsaanvraag klasse 1
Het dossier moet in tienvoud worden ingediend bij:
Bestendige Deputatie van de provincie Limburg
Universtiteitslaan 1
3500 Hasselt - Milieuvergunningsaanvraag klasse 2
Het dossier moet in principe in zevenvoud ingediend worden bij:
College van Burgemeester en Schepenen van de stad Peer
Zuidervest 2a
3990 Peer
Meestal zijn zoveel exemplaren echter niet nodig. Neem daarom best vooraf contact op met de dienst. Een mededeling kleine verandering wordt ingediend in 5 exemplaren bij de bevoegde overheid, gebruik makend van het meldingsformulier. Het wordt in één exemplaar ingediend bij het CBS.
Een melding gebeurt met hetzelfde formulier.
Koppeling bouw- en milieuvergunning.
Vlarem koppelt de bouw- of stedenbouwkundige vergunning aan de milieuvergunning. Dit houdt in dat indien één van beide vergunningen wordt afgeleverd, deze geschorst blijft tot ook de andere vergunning definitief verkregen werd.
Indien een bouw- of stedenbouwkundige vergunning verleend werd, maar de milieuvergunning wordt geweigerd (en alle mogelijkheden tot beroep zijn uitgeput), dan wordt bijgevolg de bouw- of stedenbouwkundige vergunning automatisch omgezet in een bouwvergunning en moeten beide vergunningen opnieuw aangevraagd worden.
Dit geldt ook in het geval van een reeds verleende milieuvergunning en een geweigerde bouw- of stedenbouwkundige vergunning.
Hernieuwen van een milieuvergunningsaanvraag
Een hernieuwing van de milieuvergunning moet worden aangevraagd tussen de 18 en 12 maanden voor het verstrijken van de vergunning. De milieuvergunning voor de verdere exploitatie kan vroeger worden aangevraagd waneer een overname van de vergunde inrichting door een andere exploitant is gepland of waneer de exploitant een belangrijke verandering van de vergunde inrichting beoogt. Uitzondering: Vergunningen waarvan de eindtermijn afloopt ten laatste op 1 september 2011 kunnen tot 48 maanden voor het verstrijken van de lopende vergunning worden ingediend.
Meer informatie
't Poorthuis, Zuidervest 2a
3990 Peer
Tel. 011 61 07 00
Fax 011 61 07 01
Email: milieu@peer.be
Contactpersonen
Annick Hoogmartens
Vief Hulsbosch

